Als genotsmiddel in enge zin worden levensmiddelen bedoeld die niet in de eerste plaats worden geconsumeerd vanwege hun voedingswaarde en ter verzadiging, maar vanwege de stimulerende werking en smaak. In bredere zin worden tabakswaren traditioneel ook beschouwd als genotsmiddelen, en soms ook drugs. In de vakliteratuur wordt de term ook gebruikt voor suiker en andere kruiden. In het Duitse woordenboek van de gebroeders Grimm worden genotsmiddelen gedefinieerd als voedingsmiddelen waarvan het gebruik het genot dient.
Glucose is een monosacharide (“eenvoudige suiker”) en behoort daarmee tot de koolhydraten. Er zijn twee enantiomeren: D-glucose en L-glucose (voor een uitleg van de termen "D" en "L", zie Fischer-Projektion). In de natuur komt uitsluitend D-glucose voor. Dit staat ook bekend als druivensuiker, of in oudere literatuur als dextrose. Bij de alleen synthetisch te maken L-glucose gaat het niet om druivensuiker.
Als graan worden de vanwege hun korrelvruchten gekweekte planten van de grassenfamilie aangeduid. De vruchten worden gebruikt als hoofdvoedsel voor menselijke consumptie of als diervoeder, en daarnaast ook voor de productie van genotsmiddelen en technische producten. Ze bestaan uit het zetmeelhoudende en in mindere mate ook eiwithoudende meellichaam, het vethoudend kiemplantje, de samengegroeide zaadschil en vruchtwand, evenals uit de tussen het meellichaam en de schil liggende, eiwithoudende aleurone laag. Het zich erin bevindende eiwit staat ook bekend als gluten. Van graansoorten met een laag gehalte aan gluten kan alleen plat brood worden gemaakt. De belangrijkste granen voor menselijke consumptie zijn rijst, tarwe, maïs, gierst, rogge en haver. Als veevoeder worden voornamelijk gerst, haver, maïs en triticale gebruikt.